Artikel uit Vrij Nederland, 8 januari 2005

Door Raphael Wilking en Hans van Dijk.

'This is a fuckin' pariah state!' Kristian Carter, bestuurslid van de KFA, de Korean Friendship Association, loopt rood aan. 'Kijk naar die krankzinnige, miljoenenkostende monumenten! Terwijl gewone Noordkoreanen geen stromend water hebben, geen electriciteit, en wel honger. Hoezo een arbeidersparadijs? Open je ogen, Alejandro.' Het is augustus 2004. Ruim twintig Amerikanen en Europeanen zijn naar Noord-Korea gekomen om hun solidariteit met het land te betuigen. De deelnemers, van wie de meesten lid van de KFA, lopen de eerste Internationale Mars voor Vrede en Hereniging van Korea. De KFA, de officieuze spreekbuis van Noord-Korea in het buitenland, organiseert reizen en verkoopt video's en cd's om de blijde boodschap van het bestaande communisme te verbreiden. Aanvoerder van de idealisten, de in het Spaanse leger geschoolde Alejandro Cao de Benos, tracht zijn vredessoldaten de juiste strijdkreten bij te brengen. Een dag na aankomst in Noord-Korea herhalen de deelnemers aan de mars nog wat onwennig zijn leuzen in de hal van het hotel: 'Chosonun Hanada, Manse!' (Korea is één, hoera!). Alejandro balt de vuist en gaat verder: 'Yankee go home, Yankee go home!' Hij weet dat straks duizenden Noordkoreanen staan te wachten bij het officiële begin van de Mars. De deelnemers worden gefilmd door Andrew Morse, de eerste Amerikaanse journalist die sinds het bezoek van Madeleine Allbright (oud-minister van Buitenlandse zaken van de Verenigde Staten) in 2001 het land in mag. De Noordkoreaanse autoriteiten volgen hem met argusogen. Evenals Alejandro.

Onze bus scheurt over vrijwel verlaten snelwegen, dwars door de hoofdstad Pyongyang, met een wapperend spandoek langszij: 'We actively Support the International March for Korea's Peace and Reunification!' En inderdaad, er is een kleurige massa op de been gebracht: duizenden vrouwen in traditioneel gestoken jurken, mannen in bruine en zwarte pakken. Iedereen draagt een speldje met de beeltenis van de in 1994 overleden Kim Il Sung, of van zijn zoon Kim Jong Il.
De fanfare, die bestaat uit louter vrouwen, blaast een strijdlied om de stemming erin te brengen. De verbaasde deelnemers krijgen een antieke filmcamera op zich gericht: de Noordkoreaanse pers wil deze spontane uiting van westerse solidariteit niet missen. Onder de enorme boog van het monument voor de hereniging van beide Korea's worden vlaggen en banieren uitgerold, met de opschriften 'Korea is one' en 'US troops leave Korea at once'. De deelnemers krijgen instructies: hier vasthouden, daar hooghouden. De ingestudeerde kreten schallen door de megafoons, over de opgestelde massa's. De mannen staan links van de weg, de vrouwen rechts. Mensen die luid en uitdrukkingsloos klappen voor een bont en verwonderd gezelschap westerlingen.

Initiatiefnemer van de mars en baas van de KFA is de Spaanse computerspecialist Alejandro Cao de Benos. Hij heeft de KFA in 2000 opgericht. Door zijn corpulente voorkomen lijkt Alejandro ouder, maar hij is pas 29 jaar. De KFA telt veel jonge leden: negentig procent is nog geen dertig. Volgens de oprichter bestaat er bij jongeren een toenemende onvrede met het hedonisme en de overconsumptie die het kapitalistische systeem kenmerken. Maar al lijkt de tegenhanger van dit verwerpelijke systeem verdampt, behalve het halfslachtige communistische Cuba houdt nog één staat de rug recht: Noord-Korea. Daarom heeft de KFA-website meer dan vier miljoen hits per maand, weet Alejandro: er is een groeiende behoefte aan een ander geluid over Noord-Korea. Wat mensen volgens hem normaal gesproken over dit land te horen krijgen, is niets anders dan Amerikaanse imperialistische propaganda. Afkomstig uit een Spaans adellijk geslacht met een lange traditie in het leger, raakte Cao de Benos al vroeg geïnteresseerd in Noord-Korea. 'Als kind discussieerde ik al liever met mijn leraren dan dat ik buiten ging spelen. Op mijn dertiende werd ik lid van de communistische partij. De boeken van Marx, Engels en Lenin stonden op het partijkantoor gewoon in de boekenkast. Maar de werken van de Noordkoreaanse leider Kim Il Sung stonden achter slot en grendel. Ik wilde weten waarom. Zo ontdekte ik zijn Juche-theorie, die uitgaat van zelfredzaamheid.' Onlangs ontving Cao de Benos de onderscheiding 'Soldaat van Kim Il Sung' voor zijn steun aan Noord-Korea in de afgelopen vijftien jaar.

Meteen na de massale openingsmars wordt iedereen weer de bus in gedirigeerd. De volgende bestemming is Sinchon, waar het nationale trauma, de Koreaanse oorlog van 1950-1953, in een museumcomplex breed wordt uitgemeten. Overal hangen grote, grofkorrelige foto's met uiteengerukte lichamen, en schilderijen waarop wreed toekijkende Amerikaanse soldaten zijn afgebeeld en Koreanen in de slachtofferrol. Voorzichtig oppert een Amerikaanse deelnemer dat dit alleen de Koreaanse kant van het verhaal is. Maar de meesten nemen het zwijgend in zich op. Het is pas de eerste dag, het is heet, het is vochtig en het uitstapje is vermoeiend. Als we uit een bunker komen, knipperend tegen het felle zonlicht, zijn er opnieuw Noordkoreanen opgetrommeld. Weer zijn er speeches van Noordkoreaanse vertegenwoordigers en van Alejandro. Ook een andere voorman van de KFA laat zich niet onbetuigd: Michel Watts, een 28-jarige Amerikaan uit Washington. Hij is de officiële vertegenwoordiger van de KFA in de Verenigde Staten. Een groter contrast met Alejandro is haast niet mogelijk: Michel is een tenger type, dat door zijn gouden brilletje wat schuw om zich heen kijkt.

Met onzekere stem veroordeelt hij het Amerikaanse standpunt over Noord-Korea. Ook hij raakte als middelbare scholier geïntrigeerd door de kluizenaarsstaat. Met deze mars ziet hij een langgekoesterde wens in vervulling gaan. Michel hoopt op een ontmoeting met het Noordkoreaanse volk en zijn cultuur. De Amerikaan heeft de tekst van zijn eigen speech door de Noordkoreanen aangereikt gekregen, en leest zwetend voor: over oorlogsmisdaden die de Amerikanen destijds hebben begaan tegen onschuldige burgers in Sinchon. Daarvoor biedt hij zijn verontschuldigingen aan. De Noordkoreaanse pers noteert driftig. 'Ook dienen de Amerikaanse troepen zich onmiddellijk terug te trekken uit Zuid-Korea. Dan pas kan vreedzame hereniging plaatsvinden.' De volgende dag en de dagen daarna is de Internationale Mars steeds goed voor een minstens een kwartier durend journaalitem van de Noordkoreaanse staatstelevisie. Ook voor de Pyonyang Times, de enige krant in het land, is de mars aanleiding tot vette koppen en veel kopij.

Als we na deze lange dag in ons hotel aankomen, zijn er opnieuw instructies van Alejandro. Niemand mag in zijn eentje het hotel uit, nooit. Het programma moet strikt gevolgd worden. Onze paspoorten moeten we bij hem inleveren, evenals de tickets naar huis. De gidsen draaien vierentwintig uur per dag om ons heen. Iedereen slikt de restricties, blij om in Noord-Korea te zijn. Veel energie om zelfstandig de stad te verkennen, is er trouwens niet meer: het dagprogramma zit tjokvol. En dat blijft zo, de hele mars lang. Het tropische klimaat dunt het aantal belangstellenden nog verder uit: alleen de journalisten blijven nog nieuwsgierig. ABC-verslaggever Andrew Morse lapt de instructies aan zijn laars, en wandelt de volgende ochtend doodleuk het hotel uit om te filmen. Hij wordt meteen ingehaald door zijn gids, die hem terugstuurt naar het hotel. Het voorval wordt onmiddellijk doorgebriefd aan Alejandro - zoals altijd alles aan hem wordt gemeld.

Opnieuw rijden we over lege snelwegen. Langs de kant van de weg lopen mensen. Een constante stroom van boeren en arbeiders? Waar gaan ze naartoe, en waarom? We komen het niet te weten. Duidelijk is wel dat de afstanden enorm zijn en transport niet voorhanden is, op een enkele aftandse truck na waarop tientallen mensen opeengepakt staan. Het lijkt wel Afrika. Met zijn strakgeknipte kop staart Kristian Carter vanuit de bus naar buiten. Hij ziet talloze landarbeiders die met hun blote handen op het veld werken, hooguit geholpen door een enkele os aan een ploeg. Kristian komt uit Sheffield en werkt als chef voor een bedrijf dat maaltijden bereidt voor British Airways. Dit is zijn tweede bezoek aan Noord-Korea, als officiële KFA-woordvoerder. Teleurgesteld door de val van de Berlijnse muur hoopt hij nu op een laatste kans voor de communistische heilstaat.
Hij heeft die onmiskenbare Britse working-class humor: de grappen rollen moeiteloos uit zijn mond. Maar dan volgt er ineens een streng dogma over de onvermijdelijkheid van de socialistische overwinning. Gepassioneerd: 'Onze geliefde leider Kim Jong Il duikt overal in het land op om ter plekke leiding te geven: aan ons machtige leger, maar ook aan de bakkerij, in de fabriek.' Opmerkelijk genoeg spaart hij in zijn humor de Noordkoreanen niet. Er wordt voorzichtig gelachen; Kristian is immers lid van de KFA-leiding. De sfeer in de bus is nerveus: vandaag staat Panmunjom op het programma. Volgens sommigen is het de gevaarlijkste plek op aarde: de 38e breedtegraad waar Noordkoreaanse en Zuidkoreaanse troepen elkaar recht in de ogen kijken, onder toezicht van Amerikaanse officieren. Door het grensgebouw heen zien we een stilleven: blauwe en grijze bouwketen, met eromheen keurig aangeharkt grind.

Opnieuw loopt Alejandro er parmantig rond, nu in militair uniform. Als hij genoeg mensen om zich heen verzameld heeft, begint hij opnieuw te schreeuwen: 'Yankee go home!' Een enkeling valt hem bij. Noordkoreaanse grenswachten staan vastgevroren in het grint, een paar meter verderop loeren Amerikaanse militairen door een verrekijker. Alleen het klikken van camera's verstoort de rust van dit bizarre schouwspel.

Telkens als er camera's in de buurt zijn, duikt hij weg: David Borenstein, een 37-jarige arts uit New York. Groot van postuur, een goedmoedige kop. Het liefst wil hij in de schaduw van de mars meehobbelen, ongezien binnen de as van het kwaad. Een Amerikaan in Noord-Korea: wat zullen de repercussies voor zijn carrière zijn bij terugkeer? Als radio-amateur draaide hij jarenlang over de kortegolfbanden. Telkens stokte de wijzer bij het mysterieuze geluid van Radio Pyongyang. Maar hier aan de grens zwijgt hij. En heeft hij - net zoals de andere Amerikaanse deelnemers - zichtbaar moeite met Alejandro's scheldpartijen. 'Ik heb vrienden en buren die in het Amerikaanse leger zitten. Ik respecteer hun keuze en het werk dat ze moeten doen.' Waarom doet hij dan toch mee met zo'n solidariteitsmars? Voor David is zijn deelname vergelijkbaar met het eten van een verboden vrucht. Pure nieuwgierigheid dus, maar met een vleugje idealisme: hij zeult een koffer vol medicijnen mee voor de Koreanen. Waar de medicijnen terecht komen, interesseert hem niet zo. 'Het embargo van de VS mag er niet toe leiden dat de Noordkoreanen zonder elementaire medicijnen zitten. Ik wil laten zien dat Amerikanen vriendelijke mensen zijn, die het lang niet altijd eens zijn met hun regering.' Een merkwaardige combinatie van idealisme en onverschilligheid over wat zijn bezoek teweegbrengt. Het is tekenend voor de houding van veel deelnemers.

Na het theater aan de grens volgen opnieuw toespraken, veroordelingen en eindeloos gepalaver over de in-en-inslechte Amerikaanse regering. In de bus kan de Rus Dmitri Tithankov zich niet meer inhouden. In perfect Engels veroordeelt hij de alom aanwezige militarisering en het kritiekloze optreden van de meereizende KFA-leiding. Dmitri geldt als ervaringsdeskundige: hij groeide op in de oude Sovjettijd, en is naar eigen zeggen grondig gehersenspoeld door een communistische opvoeding. Intussen is hij het rode verleden ontstegen en heeft hij een goedbetaalde baan bij een Moskous reclamebureau. Dmtri zal regelmatig in lachen uitbarsten wanneer hij oude Sovjetgewoontes herkent. Zoals het geregisseerde applaus en de alom aanwezige persoonsverheerlijking: groteske afbeeldingen van de 'Geliefde Leider' en zijn overleden vader Kim Il Sung, de officiële president van Noord-Korea. Het formele gedeelte van de mars lijkt achter de rug na nog een dag vol parades en gescandeer. Bij een verlaten, idyllische waterval wordt voor het eerst openlijk gediscussieërd, zonder Alejandro. Iedereen vraagt zich af waar de Noordkoreanen zijn. Waarom zien we ze alleen maar vanuit de bus? Waarom mogen we de stad niet in? Kristian Carter, de enige van de KFA-leiding die bij het gesprek aanwezig is, verdedigt op een klassieke dialectische manier de slachtofferrol van Noord-Korea en de bittere maatregelen die eruit voortvloeien, zoals strikte beperkingen voor de bezoeker.

Maar Dmitri weet alle argumenten moeiteloos onderuit te halen. 'Je kunt niet spreken van een arbeidersparadijs als mensen vrijwel onafgebroken moeten werken. De zichtbare armoede en gebrekkige energievoorziening staan in geen verhouding tot de vele felverlichte, miljoenenkostende monumenten ter meerdere glorie van de grote leider Kim Il Sung.' Uiteindelijk geeft ook Kristian toe dat het arbeidersparadijs hier nog ver weg is; een dissident geluid in de KFA. Tijdens een van de spaarzame vrije uurtjes mag iedereen wat harde euro's spenderen in het luxe Yangkakkdo Hotel. Precies dan komt er een hagelwitte Toyota Landcruiser van het WFP, het World Food Program, aangereden met de directeur van het WFP in Noord-Korea, de Amerikaan Richard Ragan. Samen met zijn vrouw en dochtertje wil hij gaan golfen op de 9 holes-baan, die voor het hotel ligt. Maar hij neemt alle tijd om ons de 'staat van het land' toe te lichten. Noord-Korea is nu het belangrijkste project van het WFP. Bijna trots vertelt hij dat 'zijn' World Food Programm eenderde van de Noordkoreaanse bevolking voedt. Belangrijkste donorlanden zijn Japan, Zuid-Korea en... de Verenigde Staten. Niet toevallig de landen die, naast China, baat hebben bij de pijnlijke status-quo op het Koreaanse schiereiland. Het is een eerder gehoorde aantijging: de WFP als politiek instrument van de Verenigde Naties. Ook Richard weet niet waar zijn massieve voedselhulp uiteindelijk terechtkomt. Maar met de 'Army First' politiek van Noord-Korea laat zich dat niet moeilijk raden.
Gelukkig ziet Richard in Noord-Korea wel een paar positieve ontwikkelingen. 'In korte tijd is de groep huisvrouwen zonder een officiële baan toegenomen tot dertig procent. Dit is de groep die nu op straat kleine winkeltjes runt en zo voor een aanvullend inkomen zorgt. Eigenlijk vormen zij de nieuwe ruggengraat van het land.'
Maar hoe moet dat land er vervolgens uit zien? Volgens Alejandro als één land met twee systemen: een socialistisch noorden en een kapitalistisch zuiden. Is dit een realistisch scenario? Zal, zodra de grens wegvalt, het kapitalisme niet in één klap het socialisme wegvagen? Daar is Cao de Benos niet bang voor: 'Het Juche-idee van zelfzorgzaamheid is zó sterk, dat geen enkele Noordkoreaan zwicht voor de verlokkingen van het kapitalisme. Het belangrijkste is dat families die door de Amerikaanse imperialisten gescheiden zijn, weer herenigd kunnen worden.'

Dat het erkennen van problemen in Noord-Korea erg gevoelig ligt, blijkt op de voorlaatste dag als de deelnemers hun solidariteit betuigen door mee te werken op het land van een collectieve boerderij. Deze symbolische actie, waarbij de echte landarbeiders van een afstand toekijken, grijpt verslaggever Andrew aan om vóór de camera een tekst op te nemen over de economische situatie. Als hij daarbij de woorden 'catastrophy' en 'disaster' verschillende keren gebruikt, is voor Alejandro de maat vol. Op militaire toon deelt hij de wit wegtrekkende Amerikaan mee dat het afgelopen is. Vanaf nu wordt er niet meer gefilmd. En dan dreigend: 'Als je negatief bericht, dan weet ik jou en je familie te vinden!' Andrew probeert te bluffen, uit te leggen, te redden wat er te redden valt. Maar Alejandro, woedend over de in zijn ogen tendentieuze berichtgeving over Noord-Korea, draait zich om en vertrekt linea recta naar het hotel. De groep is verbijsterd, ook Kristian is boos op Alejandro. 'Dit is onacceptabel en ook heel slecht voor Noord-Korea.' Als later ook de bus terugkeert bij het hotel, wordt Andrew onder hotelarrest geplaatst. Zelfs de diplomatieke bescherming van de Zweedse ambassade, die ook de Verenigde Staten vertegenwoordigt, wordt hem onthouden. En wat nog erger is: er is ingebroken in zijn hotelkamer. Al het videomateriaal is meegenomen, en Andrews laptop vernield. 's Avonds, in de bar van het hotel, zitten de deelnemers aan de mars verslagen rond de bierflessen. Ook Kristian is aangeschoven. De verontwaardiging is groot, en mensen zijn ook bang. Niemand heeft een paspoort of tickets, we kunnen geen kant op. Zodra iemand van de KFA-leiding binnenwandelt, verstommen de stemmen.
De volgende morgen marcheert Alejandro de eetzaal binnen. Vrijwel onmiddellijk valt de electriciteit uit. Maar Alejandro heeft geen versterker nodig. Duidelijk legt hij aan de hele groep uit dat er onder ons een verrader is: mister Andrew Morse. En dat hij, Alejandro, zelf heeft ingebroken in Andrews' kamer om de banden in beslag te nemen. Iedereen staart Alejandro vol ongeloof aan. De solidariteit verdampt in de vale ochtendschemering. Voor Kristian is dit het omslagpunt. Hij houdt het niet meer en staat woedend op.
Maar de Spaanse aanvoerder van de solidariteitsmars geeft geen krimp. 'Dit is het arbeidersparadijs dat ik te vuur en te zwaard zal verdedigen.' Het licht springt aan in de eetzaal van het hotel. Er is weer electriciteit. Kristian gaat zitten en weet dat het voorbij is, tussen hem en de KFA.
Later in de hotellobby treffen de twee elkaar opnieuw. Kristian eist nu zijn paspoort en ticket op, hij wil zo snel mogelijk naar huis. Als Alejandro weigert de spullen af te geven, grijpt Kristian hem naar de keel en zet hem tegen de muur. Alejandro biedt geen weerstand; hij kent zijn ongelimiteerde macht, hier in Noord-Korea. Ook Kristian krijgt hotelarrest. Twee dagen later zijn we terug in Beijing. Met Kristian en ook met Andrew, die door een schuldbekentenis te tekenen op het laatste moment gelijktijdig met de groep het land kon verlaten. Kristian, die zijn KFA-insignes heeft verwijderd, doet terloops nog een mededeling waar iedereen versteld van staat. Hij vertelt dat elk bestuurslid een aantal deelnemers in de gaten moest houden, en daarover moest rapporteren aan Alejandro.
Geheel volgens de communistische tradities.